Beverweetjes

 

  • Een bever is 80 à 100 cm lang, de staart van 30 cm niet meegerekend. Hij is zo het grootste knaagdier van Europa. Wereldwijd is er maar één knaagdier dat groter is : Capibara (Zuid-Amerika).
  • Een bever wordt 10 à 15 jaar oud. Een volwassen dier weegt ongeveer 25kg (tot 35kg is mogelijk).
  • Zijn vacht is opgebouwd uit 2 lagen: eerst een wollige onderlaag die het dier warm houdt, daar overheen een vette, waterafstotende deklaag die ervoor zorgt dat de onderlaag steeds droog blijft.
  • De haardichtheid op de vacht is enorm : 23.000 haren op 1 cm² (bij de mens 300 op 1 cm² ).
  • Elke bever verzorgt nauwkeurig zijn huid verschillende keren per dag. De nagel van de 2de teen is dubbel en die wordt gebruikt als kam om de haren te ontdoen van klitten.
  • De bever heeft als enige van alle zoogdieren, slechts één "uitgang" , de cloaca, die hij gebruikt voor de uitwerpselen, de urine, het vet voor verzorging vacht, het castoreum, en het geslachtsverkeer. Het castoreum maakt hij aan met zijn anaalklieren. Dit gebruikt hij dan om zijn gebied af te bakenen. Deze geurvlaggen zijn ook voor de mens waameembaar. Het heeft een sterke muskusachtige geur.
    Beverfamilies zijn heel territoriaal. Zij verdedigen fanatiek hun gebied. Vrijwel elke volwassen bever heeft littekens door de gevechten.
  • In januari of februari paren bevers met hun buiken tegen elkaar. Het mannetje benadert het vrouwtje al zwemmend met de buikzijde naar boven. De paring vindt plaats als hij onder haar door is gezwommen.
  • De zwangerschap duurt 3,5 maanden. Wanneer het vrouwtje gaat bevallen, moet het mannetje tijdelijk vertrekken. Vader bever is terug welkom als de jongen geen melk meer drinken. Hij verblijft zolang dan in een hol dichtbij de burcht. De moeder wil rust en ruimte voor de jongen. Kleine bevertjes blijven de eerste 6 weken in de burcht. In augustus zie je de meeste beverjongen. De jonge bevers blijven 2 jaar bij de ouders. Ze helpen dan bij het voeden en opvoeden van jongere broertjes of zusjes. Nadien moeten ze dan op zoek gaan naar een nieuwe geschikte biotoop.
  • In de winter is de bever zéér dik. Hij bestaat dan voor de helft uit vet. De vetlaag beschermt hem tegen de barre koude.
  • De staart van de bever heeft schubben. In de staart bevinden zich vele kleine bloedvaatjes. Zo kan hij de temperatuur regelen. Door het vet in de staart kan hij in de winter de temperatuur bijhouden en door in de zomer zijn staart in het water te houden, kan hij afkoelen.
  • Door de schubben op de staart beschouwden de katholieken dit vroeger als een reden om vlees te mogen eten op vrijdag: schubben = vis... . Dit was dus ook één van de redenen om op de bever te jagen.
  • Bevers leggen onder water een wintervoorraad van takken aan. Achter in zijn keel zit een klepje om zo nodig de luchtpijp af te sluiten. Zo kunnen ze onder water een tak afknagen zonder dat hun longen vollopen. Gemakkelijk als ze in de winter een tak uit hun onderwatervoorraad halen.
  • Zijn tanden groeien altijd door. De tandwortels zitten diep in de schedel verankerd. Dat maakt ze extra sterk. Op de voorkant ligt een laagje oranje gekleurd email. Dit email maakt de tanden zo scherp als een beitel.
  • Als n de winter het ijs te dik is, krabt hij een deel van de gang langs de bovenzijde open.
  • De bever eet jaarlijks 300kg hout. Omdat ze liefst jonge scheuten eten, zorgen ze voor een cyclische begrazing. Enkel maar wilg eten, is niet leefbaar. Hij moet afwisselen met andere houtsoorten, els, populier enz. ... Ook eet hij graag bloemen, zoals gele lis, wortelstokken van waterlelies, riet enz. .. Op die manier krijgt hij andere voedingsstoffen binnen.
  • Dagelijks eet hij ook een deel van zijn uitwerpselen op om de vertering nog beter te laten verlopen. Bevers laten nooit uitwerpselen achter in de burcht.
  • Bevers zorgen ervoor dat ze ongezien hun onderkomen in- en uitgaan. Pas meters van de burcht verwijderd, steken ze heel geluidloos en zonder gespat hun kop boven water. Ze zwemmen met neus, ogen en oren juist boven water op één lijn = horen, zien en ruiken...
  • In een overvol gebied met weinig uitwijkmogelijkheden voor een nieuw territorium, nemen ze soms hun toevlucht tot een bos met weinig water en groene vegetatie. Door in het kleinste kwelwaterstroompje dammen aan te leggen, creëren ze een nieuwe waterrijke plek in een ogenschijnlijk droog bos. Hierdoor ontstaan er nieuwe habitats voor planten, insecten, amfibieën, andere zoogdieren en vogels. Een nieuw ecosysteem wordt gevormd.
    Voorbeeld: bevers laten bomen in water vallen = beschutting en paaiplaats voor vissen en dit kan leiden tot komst van otters.
  • Bevers spreken ook met elkaar. Dit varieert van gezucht tot gepiep, gemurmel en soms een klaaglijke kreet.
  • Bevers houden helemáál niet van regen. Dan blijven ze meestal binnen.

Een bever in de Kleine Netevallei

Sinds het voorjaar 2008 zit er een bever in de Kleine Netevallei. De meeste waarnemingen komen uit het deelgebied Viersels gebroekt op percelen van Natuurpunt langs de Kleine beek maar er is zelfs al een bever in hetbever_foto
centrum van Lier waargenomen.

Origine

Vroeger waren bevers algemeen in Vlaanderen. Omdat hun pels zo begeerd was, werden ze intensief bejaagd met uitsterven tot gevolg. Sinds enige jaren is bever terug van weggeweest. Bever heeft vaste populaties langs de Dijle ten zuiden van Leuven en langs de Grensmaas. Aangezien hier al meerdere jaren voortplanting optreedt en de jonge bevers gemakkelijk tientallen kilometers ver kunnen uitzwermen via onze waterlopen, worden er in Vlaams-Brabant, Limburg, Antwerpen en Oost-Vlaanderen regelmatig dieren waargenomen. Soms gaat het hierbij om eenmalige waarnemingen of dieren die dood teruggevonden worden, maar op verschillende locaties hebben zich ook al bevers vast gevestigd, wachtend op een partner. Vanuit bestaande populaties kan de Bever de Kleine Netevallei bereikt hebben via het Albertkanaal of het Netebekken. De bever van de Kleine Netevallei is hier vermoedelijk een voorbeeld van. 

In 2011 is Kristijn Swinnen een doctoraatstudent van de Universiteit Antwerpen gestart met een uitgebreid onderzoek over bever in Vlaanderen. Een van de zaken die onderzocht wordt, is de genetische origine. Aan de hand van deze informatie kan hopelijk aangetoond worden van waar de bever in de Kleine Netevallei komt.

Kenmerken

De bever, met een lichaamslengte van 70-100 cm en een gewicht van 15-35 kg (gemiddeld 18-20 kg), is het grootste knaagdier dat in Vlaanderen (en ook Europa) voorkomt. De staart is 25-37cm lang en 12-16,5cm breed (korter en breder bij de mannetjes dan bij de vrouwtjes). Bevers worden gemiddeld 7-8 jaar oud, tot 16 en zelfs 35 jaar. De dichte pels varieert van helder bruin, grijsbruin of donkerbruin tot geelachtig bruin of soms zwart. Bevers zwemmen beter dan ze lopen. Ze blijven meestal 2-3 min. onder water, tot maximum 20 min. Ze maken zacht kreunende of blazende geluiden en slaan met de staart op het water als alarm. Ze hebben kleine ogen en oren en oranje, eeuwig groeiende tanden. Ze zien slecht, maar hun reukzin is daarentegen goed ontwikkeld. Neus, ogen en oren liggen hoog op de kop, zodat ze bij gevaar onder water kunnen schuilen, met enkel het bovenste deel van de kop boven water.

Biotoop

Bevers zijn semi-aquatische knaagdieren, die leven langs rivieren, meren, vijvers, moerassen, sloten, oude rivierarmen en grindgaten, waar toegang tot water en vegetatie het ganse jaar door gegarandeerd is. De Kleine Netevallei is dus een ideaal leefgebied voor bever. Bevers zijn eigenlijk bosbewoners, maar kunnen goed overleven in landbouw- en zelfs stedelijke gebieden. Bevers vereisen een minimale waterdiepte van ongeveer 0,5-0,8 m. Als het water te ondiep is of te snel stroomt, bouwen ze dammen die bestaan uit bomen, takken en modder, en soms worden ook stenen en plantenstengels gebruikt. Deze dammen worden gebouwd in stromende beken die niet te breed zijn (tot 5 m) om voldoende diep stilstaand water te krijgen, zodat ze een hol of burcht kunnen bouwen met veilige ingangen onder water en het water niet bevriest tot op de bodem.

Voedselkeuze

bever_sporenBevers zijn strikte planteneters, die beschikken over speciale bacteriën in de blindedarm om houtige gewassen te kunnen verteren. Ze hebben een voorkeur voor zachte houtsoorten, zoals wilg, populier en berk. Ze gebruiken bast, twijgjes en bladeren als voedsel, en grotere takken om burchten en dammen te bouwen. Bevers kunnen per dag ongeveer 2 kg wilg (bladeren inclusief) opeten en ongeveer 600-700g schors. Ze kunnen zowel ganse bomen omknagen als bomen ringen door de bast rondom op te eten. Ze verkiezen dunne boompjes (< 8 cm diameter), maar kunnen zelfs bomen met een omtrek van 1,5m omknagen. Om vorstperiodes door te komen, leggen ze een wintervoorraad aan van takken onder water, waar ze nog gemakkelijk bij geraken als het wateroppervlak bevroren is. Daarnaast eten ze ook wortelstokken van water- en moerasplanten en allerlei struiken. In de zomerperiode eten ze ook allerlei water-, moeras- en landplanten (grassen, kruiden, varens, ...). Naast vraat ontstaan er door betreding ook wissels (minstens 30cm) en glijplekken langs steile oevers. In het Viersels gebroekt kom je langs de Kleine beek wissels en glijplekken tegen.

Verblijfplaats

Bevers hebben bij steile oevers een voorkeur voor holen, die ze graven met de voorpoten en de tanden. In het Viersels gebroekt heeft de bever holen gemaakt in de oever van de Kleine beek. Een hol bestaat uit een nest van 1,2 m breed en 40-50 cm hoog, met een korte gang van ongeveer 35 cm diameter naar buiten toe. Soms is er ook een zwemgang naar de ingang van het hol.

In het Viersels gebroekt is de bever begonnen met de bouw van een burcht. Een burcht bestaat uit takken, twijgen, modder en plantendelen, en kan tot 2-3 m hoog zijn en een omtrek hebben van 12 m. Ingangen van zowel holen als burchten liggen onder water en worden enkel bij laag water zichtbaar. Dit is, samen met de eventuele ligging in het water, een beveiliging tegen predators. Bevers houden geen winterslaap, maar kunnen bij vorst wel wekenlang in het nest blijven, dat zeer goed geïsoleerd is. In Vlaanderen verblijven de bevers tot nu toe hoofdzakelijk in holen, omdat de dijken voldoende steil zijn.

Sociale organisatie

Bevers zijn vooral tijdens de schemering en ’s nachts actief. In rustige gebieden kunnen ze ook overdag actief zijn. De grootte van de territoria varieert van 0,5 tot 12,8 km oever. De territoria worden agressief verdedigd, waardoor nieuwe dieren moeten wachten tot er een territorium vacant komt of disperseren. De grenzen van het territorium worden meestal gemarkeerd door geurposten en lage hoopjes van modder, bladeren en twijgen, die langs de oevers en de dammen gemaakt worden. Op deze modderhoopjes wordt het castoreum of ‘bevergeil’ (geproduceerd in de castor- en anale klieren) uitgescheiden, wat roodachtige vlekken geeft.

Nut en schade

Bevers worden beschouwd als dieren die door hun levenswijze voor een sterke structuurvariatie in hun leefgebied zorgen, met een hogere biodiversiteit voor gevolg. Door het bouwen van dammen zorgen zij ervoor dat er een moerassig biotoop ontstaat,waar allerlei dieren (vissen, amfibieën, ongewervelden) en planten kansen krijgen om zich te vestigen. In het Viersels gebroekt zorgt de bever ervoor dat de rietvelden en bloemrijke ruigten niet verbossen en dat er open plekken ontstaan in het broekbos.

Een familie bevers kan jaarlijks een grote hoeveelheid hout oogsten als voedsel (bv. in Polen ca. 900 kg bomen per familie per jaar). Door hun levenswijze kunnen bevers dus wateroverlast en vraat- en graafschade veroorzaken. Er zijn echter allerlei preventieve maatregelen mogelijk om schade te vermijden en de bever weer een plaats te geven in ons dichtbevolkte landje zonder dat de bevolking er al te veel problemen van ondervindt.

Afbreken van een dam zonder de bever te verwijderen, heeft niet veel zin, omdat de bever de dam weer gaat opbouwen en hierbij dus nog eens extra knaagschade veroorzaakt. Wat wel mogelijk is om het waterniveau weer te verlagen, is het plaatsen van een drainagebuis in de dam, zodat het water nog wel door kan, maar er een minimale waterdiepte van 0,5 m blijft. De bever is een beschermde diersoort en waarom mag een dam trouwens niet zomaar afgebroken worden.

In het Viersels gebroekt wordt de activiteit van de bever wekelijks opgevolgd. Daarbij is er regelmatig overleg met de waterbeheerders de provincie Antwerpen en de Vlaamse Milieumaatschappij. Verder gaat de doctoraatstudent van de Universiteit Antwerpen de situatie mee opvolgen om meer te weten te komen over het gedrag van de bever. Omdat de gemiddelde minimale waterdiepte van de Kleine beek hoger is dan 0,5 meter wordt er verwacht dat er geen dam gebouwd wordt.

Beverspotten

De beste plaats om de bever te zien is vanaf de pick-nickbank langs het Netekanaal te Viersel ter hoogte van de brug van de Nijlensesteenweg. Vanaf deze plaats kun je in de schemering de Kleine beek afspeuren. Let zeker op de knaagsporen en omgevallen boom die je met een verrekijker kunt zien Via waarnemingen.be blijf je ook op de hoogte van de laatste waarnemingen. Vergeet ook niet je eigen waarnemingen op deze website te zetten.

Op zondag 10 april organiseert Natuurpunt een beverwandeling om geïnteresseerden kennis te laten maken met het prachtige werk van de bever. Afspraak : 14.00 uur aan de kerk van Viersel. Vergeet zeker je laarzen niet want de bever heeft graag natte voeten.

Meer info

Frederik Naedts, Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Fort van Kessel: een thuis voor vleermuizen

Het fort, gebouwd in 1909, werd in 1914 deels vernield door voltreffers uit “Dikke Bertha” kanonnen die projectielen van 800 kg vanop Beerzelberg (8.4 km ver) afvuurde. Het fort viel in Duitse handen.

Ook  in Wereldoorlog 2 werd het fort bezet door Duitsers. Nu staat het al decenia leeg en is het een ideale plaats voor honderden overwinterende vleermuizen, waaronder zeldzame soorten. De gemeente Nijlen, Gidsenwerking Fort Kessel, Agentschap voor Natuur en Bos én Natuurpunt zorgen samen voor een blijvende bescherming van het fort.

 

Vleermuizen zijn zoogdieren. Net zoals vogels kunnen zij op eigen kracht vliegen. Na zonsondergang gaan zij op jacht naar insecten en ongewervelden in het bos, park, weiland, tuin en boven het water. Zij kunnen wel 600 beestjes per uur binnenspelen. Keihard roepend vangen zij hun echo’s terug op en zo weten de vleermuizen waar alles rondom staat of vliegt. Wij horen hun getier echter niet, tenzij we een bat-detector gebruiken die deze “ultrasone” geluiden omzet in voor ons hoorbare  frequenties. Met dit toestelletje kunnen we zelfs ontdekken welke vleermuizen er rondom ons rondvliegen.

Veelal gebruiken vleermuizen vaste vliegroutes langsheen bosranden, heggen, bomenrijen, rietkragen, beken, grachten en  kanalen, zodat zij zich ten volle kunnen overleveren aan hun nachtelijke vliegende eetfestijnen.

 

Zodra het in de lente warmer wordt ontwaken ze uit hun winterslaap. Zij gaan op zoek naar een plekje voor hun zomerverblijf waar ze hun kroost willen grootbrengen, zoals zolders, boomholtes, zelfs achter losse boomschors.

 

In de herfst jagen zoveel zij kunnen om een stevige vetreserve voor de winter op te bouwen. Na de eerste koude nachten trekken zij terug naar nun overwinteringsplaats, liefst in hun vertrouwde buurt.

 

’s Winters vliegen er weinig insecten rond, dus moeten de vleermuizen trachten te overleven, zonder enig voedsel op te nemen. Zij gaan in winterslaap. Hun lichaamstemperatuur zakt dan tot ongeveer 7° C. Ademen doen zij nauwelijks en hun hartslag daalt van enkele honderden slagen naar nauwelijks enkele slagen per minuut.

 

Om te overwinteren zoeken de vleermuizen plaatsen waar het rustig is, zonder tocht, vochtig (anders drogen zij uit), met een zo constant mogelijk vrij lage temperatuur. Grotten, oude forten en mergelgroeven, spleten, muren en boomholten zijn ideale plaatsen om te overwinteren. Het fort van Kessel is uitermate geschikt, omdat het beantwoord aan al deze voorwaarden.

 

Welke vleermuizen overwinteren in het fort van Kessel? De Dwergvleermuis, een algemene soort die onze tuinen helpt muggenvrij te houden, is er zeker bij. Ook onze grootste inheemse vleermuis, de Rosse vleermuis vindt steeds een plekje in het fort. De Watervleermuis die bij warm weer rond het fort, jaagt zoekt in het fort zijn overwinteringsstekje. Het overgrote deel van de Franjestaart overwintert in de forten rondom Antwerpen. Ook in Kessel. Verder vinden we nog de Baards- en brants’ vleermuis, de zeldzame Ingekorven vleermuis en de nog zeldzamere Meervleermuis.

fort kessel rosse vleermuis_8460 web

Elk jaar, de laatste zaterdag van augustus van 13 tot 17 u worden gratis geleide rondwandelingen in het fort gegeven.

 

Enkele nuttige links:

http://www.nijlen.be/Bezienswaardigheden.html

http://www.natuurenbos.be/nl-BE/Projecten/BatAction/Projectgebieden/Lier-Nijlen.aspx

http://www.natuurpunt.be/nl/vereniging/actua/vleermuizen-veiliger-in-fort-van-kessel_193.aspx

 

 

 

 

 

 

 

 foto Leo Vaes