Paddenstoelen in de regio Lier – Roosmarijn Steeman

gordijnzwam
Koperrode gordijnzwam - foto: Roosmarijn

Koperrode gordijnzwam (Cortinarius uliginosus), een typische wilgenbegeleider in broekbossen

vliegenzwam leovaes
Vliegenzwam - foto: Leo Vaes

Paddenstoelen spreken tot de verbeelding: plots kunnen ze verschijnen, om even snel weer te verdwijnen. Ze zijn plant noch dier en hun diversiteit in vormen, kleuren en geuren is enorm. Een paddenstoel op naam brengen lijkt vaak gemakkelijker dan het is. Er is geen enkel boek waarin alle Vlaamse paddenstoelen zijn opgenomen, want dat zijn er meer dan 4.000. En elk jaar worden er weer nieuwe soorten gevonden en beschreven.  Er valt nog heel wat te ontdekken op gebied van paddenstoelen, ook bij ons in de regio. Vaak moet je een paddenstoel microscopisch onderzoeken om te weten te komen om welke soort het precies gaat. Daarom beginnen we met een gemakkelijke: de Vliegenzwam (Amanita muscaria), die iedereen wel kent.

 

Bijzonder aan paddenstoelen is dat een groot deel van het organisme zich aan ons oog onttrekt: de zwamvlok of het mycelium, een netwerk van erg fijne draadjes die onder de grond zitten. De zwamvlok is het hele jaar aanwezig en af en toe, als het vochtig genoeg is en de tijd rijp is -meestal in het najaar, ontspruit er een vruchtlichaam (=paddenstoel) uit de zwamvlok.
Om zich voort te planten en nieuwe zwamvlokken te doen ontstaan, produceert een paddenstoel minuscule sporen. Wanneer verschillende sporen op een geschikte plaats samenvallen, kan hieruit een zwamdraadje ontstaan: het begin van een nieuw mycelium. De best gekende paddenstoelen zijn de plaatjeszwammen, zoals de Vliegenzwam: de sporen worden tussen en op de plaatjes geproduceerd. Daarnaast zijn er de buisjeszwammen, zoals de boleten (bijvoorbeeld het Eekhoorntjesbrood), maar er zijn ook stekelzwammen, die stekeltjes onderaan hun hoed hebben. Een heel andere groep is die van de zakjeszwammen, waarbij de sporen in zakjes worden geproduceerd.

Ecologische groepen

Paddenstoelen zijn erg belangrijke schakels in het ecosysteem. Ze breken namelijk dood materiaal (strooisel, dood hout, etc.) af. Maar niet alle paddenstoelen doen dat. Grosso modo kunnen we paddenstoelen indelen in drie ecologische groepen: de saprofyten of opruimers, de symbionten of boombegeleiders en de parasieten.

De grootste groep, de saprofyten of opruimers, zijn paddenstoelen die bladafval, dood hout, strooisel, enz… verteren. Zij zorgen ervoor dat de aarde niet bedekt geraakt met een

elfenbankje
Elfenbankje - foto: Roosmarijn

kilometersdikke strooisellaag! Het Elfenbankje is een saprofyt: het groeit op dood hout en zorgt ervoor dat dit wordt afgebroken. Uiteraard is dit een erg traag proces. Ook de Witte kluifzwam, een opvallende verschijning, is een opruimer.

Symbionten of boombegeleiders leven in symbiose met een bepaalde boom. Dat wil zeggen dat ze een soort samenlevingscontract aangegaan met elkaar, waaruit beiden voordeel halen. De zwamdraadjes van de paddenstoelen zijn verbonden met de wortels van een boom. Terwijl de zwam mineralen en voedingsstoffen aan de boom geeft, krijgt hij daarvoor suikers van de boom in ruil. Een mooi voorbeeld van samenwerking in de natuur. De Vliegenzwam is wellicht de bekendste symbiont. Andere families van symbionten zijn russula's, melkzwammen, boleten, ridderzwammen, fopzwammen enz….

Vele symbionten zijn zeldzaam geworden. Deze paddenstoelen zijn erg gevoelig voor processen als verzuring, stikstofdepositie en verdroging. Voor hen is het belangrijk dat de strooisellaag niet té dik wordt. Daarom groeien vele symbionten vooral in dreven, grachtkanten en wegbermen, waar bladeren kunnen wegwaaien. Hierboven ziet je o.a. de Ruwe russula, een typisch voorbeeld van een achteruitgaande symbiont. Momenteel is deze soort in kleine aantallen te vinden in de Beatrijslaan in Lier. De zeldzame Pronksteelboleet is dan weer te vinden in het stadpark in Lier, langs de rand van de vijver.

Tenslotte zijn er nog de parasieten: paddenstoelen die op een levend organisme groeien en die deze gastheer aantasten. Parasieten zijn weinig geliefd. Namen zoals Dennenmoorder zeggen al genoeg. De Reuzenzwam tast meestal beuken aan en de berkenzwam is een vaak voorkomende parasiet op Berk. Parasieten zijn  vaak gastheerspecifiek. Maar Platte en Echte tonderzwam tasten meerdere soorten loofbomen aan. Deze groep geeft de paddenstoelen een slecht imago. Maar uiteindelijk maken ze maar een klein deel uit van het zwammenrijk. Bovendien vervullen ze toch een nuttige rol in de natuur. Gezonde bomen zijn sterk genoeg om weerstand te bieden aan parasieten. In de natuur geldt de wet van de sterkste: uiteindelijk worden enkel zieke en verzwakte bomen geveld door parasieten. Zo blijven enkel de gezonde bomen over in het bos en wordt er plaats gemaakt voor jonge en gezonde exemplaren.

Paddenstoelen in de Steenbeemden

In het najaar van 2008 werden de eerste zwammen in de Steenbeemden genoteerd. In het droge Eiken-Berkenbos was weinig te vinden. Deze stukken zijn minder interessant door verbraming en ophoping van slecht verterend strooisel van de goed vertegenwoordigde Amerikaanse eik. Ook in de stukken met Zomereik werden nog geen spectaculaire vondsten verricht. Het zijn vooral vrij algemene saprofyten die hier domineren, bijvoorbeeld Tweekleurig elfenbankje (Gloeoporus dichrous) en Getande boomkorst (Cerocorticum molare) die op eikentakken groeien.

In het heidestuk (bekend van de zandbijtjes) vonden we de Heideknotszwam (Clavaria argillacea), een indicatorsoort voor droge heide met een zekere dynamiek. Dit is een soort die kwetsbaar is voor verrijking en verzuring en in Nederland op de Rode lijst staat (Arnolds, 2008). De populatie Heideknotszwam bevindt zich echter op slechts enkele vierkante meter en is dus erg kwetsbaar. Bodemverstoring kan daar best vermeden worden. Maar plaggen en/of kappen in de omgeving van de groeiplek kan nieuwe groeiplaatsen creëren.

Voor zwammen zijn de natte wilgen- en elzenstukken ongetwijfeld het meest interessant.

Er werden een aantal indicatorsoorten voor natuurwaarde in broekbossen (Keizer, 2003) gevonden: Koperrode gordijnzwam (Cortinarius uliginosus) en Bleke elzenzompzwam (Alnicola escharoides). Deze eerste is een symbiont van Wilg en Els terwijl de tweede zich beperkt tot Els.

Bovendien werden hier maar liefst vier Nederlandse Rode-Lijstsoorten voor broekbossen waargenomen: Tweesporige satijnzwam (Entoloma bisporigerum), Nitreuze elzensatijnzwam (Entoloma politum), Witgeringd mosklokje (Galerina jaapii) en het plaatselijk talrijke Wilgenmosklokje (Galerina permixta). Dit zijn vier saprofyten die bedreigd zijn wegens hun gevoeligheid voor verdroging.

Tenslotte vermelden we Valse zilversteelzompzwam (Alnicola badiolateritia), Wilgenrussula (Russula subrubens) en Zwartrode russula (Russula atrorubens) als typische wilgenbegeleiders. Op een iets droger gedeelte vonden we ook Bleke wilgengordijnzwam (Cortinarius urbicus), ook een symbiont bij Wilg.

Deze aan wilgenbroeken gebonden soorten zijn gebaat bij een nulbeheer in wilgenbroeken. Het laten ontwikkelen van wilgenstruweel is wenselijk, waar mogelijk. Wilgen kappen gebeurt best gefaseerd.

De door elzen gedomineerde percelen zijn helaas sterk verbraamd. Rossige elzenmelkzwam (Lactarius omphaliformis) is één van de weinige typische elzenbegeleiders die we aantroffen.

Een nat, zeggenrijk hooiland/rietland leverde totnogtoe weinig vermeldenswaardige zwammen op, met name Biezenmycena (Mycena bulbosa), Witte halminktzwam (Coprinus  urticicola) en Oranje grastaailing (Marasmius curreyi).

Nog een Nederlandse Rode-Lijstsoort, Zilversteelsatijnzwam (Entoloma turbidum), werd samen met Vuurzwammetje (Hygrocybe miniata) gevonden in het drogere loofbos dat door Amerikaanse vogelkers gedomineerd wordt, ten zuiden van de Kromme Ham. Beide soorten zijn kenmerkend voor heischrale, voedselarme omstandigheden.  Amerikaanse vogelkers is ook voor zwammen weinig waardevol, al werd eerder toevallig (tijdens werken op de Dag van de Natuur) op een dode vogelkers Paarse wasporia (Ceriporia purpurea), een zeldzame houtzwam, aangetroffen.

Naar de zeer zeldzame Violetvlekkende moerasmelkzwam (Lactarius aspideus) die reeds in het Viersels gebroekt en de Lovenhoek is waargenomen, werd verwachtingsvol uitgekeken. Tot hiertoe is deze soort, die slechts 4 vindplaatsen heeft in Vlaanderen, nog niet gevonden in de Steenbeemden.