Het rivierlandschap van de Kleine Netevallei is opgebouwd uit verschillende doelbiotopen die bedreigd zijn op Europees niveau. Ze maken deel uit van het leefgebied van de doelsoorten en vele andere soorten. Daarom heeft de Europese Commissie een groot deel van de Kleine Netevallei aangeduid als habitatrichtijngebied om de doelsoorten te beschermen.

Natuurpunt zet zich in voor het behoud en herstel van deze doelbiotopen voor een duurzaam behoud van de doelsoorten.

Overzicht

 

Dotterbloemgraslanden

dotterbloemgrasland

 

 

Foto Peter Tibax

Dotterbloemgraslanden zijn half-natuurlijke graslanden die gemaaid en/of beweid worden. Het zijn bloemrijke graslanden waar de Dotterbloem (Caltha palustris) in voorkomt maar de grote natuurwaarde is te wijten aan het groot aantal zeldzame dieren en planten die afhangen van Dotterbloemgraslanden zoals Moerassprinkhaan (Stethophyma gossum) en Watersnip (Gallinago gallinago). Daarom krijgen ze van Natuurpunt veel aandacht in de Kleine Netevallei.

Het zwaartepunt van Dotterbloemgraslanden ligt in het deelgebied het Viersels gebroekt. De Dotterbloemgraslanden van de Kleine Netevallei zijn niet de klassieke varianten. De standplaats is een natte venige ondergrond. Een belangrijk onderdeel van het half-natuurlijke beheer van deze graslanden is het onderhoud van de historische greppels en grachten. Indien ze niet onderhouden worden, ontwikkelen deze graslanden naar grote zeggenvegetaties.

 

Dotterbloemgraslanden zijn het belangrijkste aspect van de beemdgraslanden. Andere beemdgraslanden zijn Veldrusgraslanden die onder de gelijknamige titel besproken worden.

In het verleden kwamen Dotterbloemgraslanden op zeer grote schaal voor in de Kleine Netevallei. Het waren de hooileveranciers voor de Kempense heideboeren. Het landschap was zeer open want volgens getuigenissen kon men vanaf Viersel de St-Gummarustoren te Lier zien.

Sinds de jaren 1950 is de interesse van de landbouw gedaald voor de Dotterbloemgraslanden. De oppervlakte ging achteruit door verruiging en verbossing. Door de successie zijn er een aantal graslanden ontwikkeld naar voedselrijke ruigten en broekbossen. Een ander deel van de graslanden zijn spijtig genoeg verloren gegaan aan storten en illegale weekendvijvers.

 

Overgangsvenen

overgangsvenen

Waterdrieblad - Foto Maarten Jacobs

 

Overgangsvenen zijn natuurparels en bevinden zich op zeer speciale plaatsen in de Kleine Netevallei. In deze overgangsvenen komen zeer zeldzame plantensoorten voor zoals Moeraskartelblad (Pedicularis palustris), Waterdrieblad (Menyantis trifolia), Wateraardbei (Potentilla palustris), Veenpluis (Eriophorum angustifolium) en Snavelzegge (Carex rostrata).

Overgangsvenen zijn stabiele plaatsen met een zeer hoge kweldruk en veenontwikkeling. Ze zijn beperkt in oppervlakte en komen in grotere complexen van bufferende biotopen voor zoals Veldrus- en Dottergraslanden.

 

Veldrusgraslanden

Veldrusgrasland komt lokaal voor in de Kleine Netevallei op de valleiflanken. Het zijn zeer waardevolle graslanden die jaarlijks gemaaid worden. Kenmerkende soorten zijn Veldrus (Juncus acutifloris), Moerasviooltje (Viola palustris), Tormentil (Potentilla erecta).

Veldrusgraslanden zijn het andere aspect van de beemdgraslanden. In vergelijking met de Dotterbloemgraslanden komen ze voor op valleiflanken met een verticale kwelstroom die bestaat uit een lokale kwelstroom die ligt op een regionale kwelstroom.

 

Voedselrijke ruigten

voedselrijke ruigte

Foto Maarten Jacobs

 

Voedselrijke ruigten komen verspreid voor in de Kleine Netevallei. Het zijn opvallende begroeiingen met hoge planten zoals Moerasspirea (Filipendula ulmaria), Harig Wilgeroosje (Epilobium hirsutum), Poelruit (Thalictrum flavum) die vooral in juli en augustus bloeien. Begin mei zijn de getijdenruigten op hun mooist met honderden Zomerklokjes (Leucojum aestivum). Deze plantensoort komt nog maar op twee plaatsen voor in Vlaanderen en is zeldzaam in Europa. Een andere zeer zeldzame ruigteplant die in het deelgebied de Steenbeemden voorkomt, is Lange Ereprijs Veronica longifolia.

Voedselrijke ruigten komen in een natuurlijk landschap lijnvormig voor in het dynamisch milieu van de oevers langs waterlopen. Maar ze kunnen ook ontstaan vanuit verruigde Dotterbloemgraslanden zoals in de Kleine Netevallei het geval is. In de Kleine Netevallei zijn twee typen te onderscheiden namelijk het type van het Verbond van Moerasspirea en het getijdengebonden type van het Verbond van Harig wilgenroosje. Er zijn zeer mooi ontwikkelde voorbeelden te vinden en de potentie om het biotoop te herstellen is groot.

 

poelruitPoelruit - Foto Maarten Jacobs

Voor vogels zoals Blauwborst (Luscinea svecica) en Sprinkhaanzanger (Locustella naevia) zijn voedselrijke ruigten het ideale broedbiotoop. Vanwege het bloemrijk aspect hebben de ruigten een grote aantrekkingskracht op ongewervelden. Één van de minst opvallende maar mooiste bewoners is de nachtvlinder de Poelruitspanner (Gagitodes sagittata) die maar enkele vliegplaatsen heeft in Vlaanderen.

 

Broekbos

Broekbossen komen verspreid in de Kleine Netevallei voor in mozaïek met voedselrijke ruigten. Analoog als de voedselrijke ruigten zijn de meeste broekbossen in de Kleine Netevallei ontstaan uit voormalige graslanden. Wilgenstruwelen komen ook veel voor in het gebied en zijn een zeer waardevol tussenstadium in de successie. Voor de broekbossen kan er een onderscheid gemaakt worden tijdens de getijden en –kwelgebonden varianten.

broekbossen

Foto Indra Jacobs

 

De getijden- en overstromingsgebonden broekbossen zijn rijker van aard omdat ze regelmatig overstromen en voedingsstoffen opbouwen. Naast Zwarte els (Alnus glutinosa) komen er breedbladige wilgensoorten voor. In de kruidlaag is het zeldzame Zomerklokje (Leucojum aestivum) te vinden.

De kwelgebonden broekbossen komen op de valleiflanken voor met een hoge kweldruk. Een zeldzame plant van de kruidlaag is Slangenwortel (Calla palustris) die in het deelgebied de Treydbeemd te vinden is.

Broekbossen zijn belangrijke biotopen voor bedreigde vogels zoals Nachtegaal (Luscinia megarhynchos) en Matkop (Parus montanus).

Naast bovengenoemde soorten hebben broekbossen een grote waarde voor zwammen. In 2007 is Violetvlekkende melkzwam (Lactarius uvidus) gevonden in het deelgebied het Viersels gebroekt. In 2009 is de soort ook vastgesteld in het deelgebied de Vogelzang. Onderzoek heeft ook uitgewezen dat broekbossen en wilgenstruwelen belangrijke structuurelementen zijn voor de overwintering van loopkevers, lieveheersbeestjes en spinnen.

 

Laaglandbeken

laaglandbeken

Foto Peter Tibax

 

In de Kleine Netevallei monden een aantal beken uit in de Kleine Nete. De waardevolste en zuiverste beken zijn de Kleine beek en de Tappelbeek. De beken hebben vooral een grote meerwaarde voor de vissoorten Kleine modderkruiper (Cobitis taenia), Rivierdonderpad (Cottus gobio) en Bittervoorn (Rhodeus amarus). De eerste twee soorten behoren tot de Bijlage II van de habitatrichtlijn.

De beken zijn de levensaders van het natuurgebied omdat ze regelmatig overstromen. In het verleden waren de Kleine Nete en de zijlopen de dynamische factoren van het gebied. De Kleine Nete staat onder invloed van dagelijks getijde. Maar na de aanleg van de Sigma-dijken en het Netekanaal is de dynamiek afgesneden van de oeverzones en rivierbegeleidende gronden.

Momenteel kunnen een aantal soorten in stand worden gehouden dankzij de dynamiek van de beken. De overstromingen worden vooral geïnitieerd door piekdebieten maar via enkele beken wordt zelfs indirect de getijde in stand gehouden. Bij hoogtij kunnen de beken niet afzetten in de Kleine Nete waardoor het peil volgens de getijdenfrequentie daalt en stijgt.

Duinheide

In het natuurgebied de Kleine Netevallei komt er een kleine zone met duinheide voor. Deze zone ligt op een rivierduin die parallel ligt met de Kleine Nete waartoe de Kesselse heide ook behoort.

Duinheide is gebonden aan profielloos zand, stuifzand genoemd. In grote gebieden kan stuifzand zich in stand houden door verstuiving van het zand bij hoge windsnelheden. Deze gebieden komen in Vlaanderen niet meer voor omdat ze te klein en gesloten zijn, waardoor de wind geen hoge snelheden meer kan halen boven het grondoppervlak. Als deze dynamiek wegvalt, evolueert de duinheide naar eiken-berkenbos. Het stuifzand in de Kleine Netevallei is een restant van een voormalig stuifzandgebied. Vergelijkbare restanten zijn op grotere schaal ook zichtbaar op de Kesselse heide.

Het duinheide van de Kleine Netevallei is behouden gebleven door motorcrossers die voor dynamiek zorgde. Na de aankoop van het gebied door Natuurpunt werd motorcrossen niet meer toegelaten en zorgen wandelaars, fietsers en spelende kinderen voor de dynamiek die het stuifzand open houdt.

Duinheide heeft een grote natuurwaarde omdat een aantal specifieke plant- en diersoorten die aangepast zijn aan de extreme omstandigheden enkel in duinheide voorkomen. Overdag warmt het stuifzand snel op tot zeer hoge temperaturen en ’s nachts koelt het af tot lage temperaturen. De bekendste bewoners van duinheide zijn zandbijen. In de Kleine Netevallei komen verschillende soorten voor waarvan Grijze Zandbij (Andrena vaga) de bekendste is. Ook verschillende plantensoorten zijn aangepast aan de duinheide zoals Buntgras (Corynephorus canescens), Struikhei (Calluna vulgaris) en Klein vogelpootje (Ornithopus perpusillus). Daarnaast komen er verschillende korstmossen voor in duinheide.

Duinheide is een belangrijk biotoop in de Kleine Netevallei ondanks dat het beperkt ontwikkeld is. Er is een grote verbondenheid met de vallei. In het voorjaar zijn de zandbijen volledig aangewezen op het stuifmeel van de wilgen. Het regenwater dat op de rivierduinen valt, sijpelt in de bodem en komt als kwelwater in de natte delen van de vallei terug aan het oppervlak.

 

Eiken-berkenbos

Op dezelfde rivierduin als de duinheide vinden we eiken-berkenbos in de Kleine Netevallei. Eiken-berkenbos ontwikkelt op plaatsen waar de heide verbost. Mooi ontwikkeld zuur eikenbos komt beperkt voor in de Kleine Netevallei maar de kansen voor herstel over een grotere oppervlakte zijn groot.

In zuur eikenbos leven een aantal specifieke diersoorten zoals Zwarte specht (Dryocopus martius) en Hazelworm (Anguis fragilis). Typische plantensoorten zijn Hengel (Melampyrum pratense), Dalkruid (Maianthemum bifolium) en Gewone eikvaren (Polypodium vulgare). Indien er genoeg humus in de bodem opgestapeld is, kan eiken-berkenbos evolueren naar de climaxvegetatie eiken-beukenbos.

 

eikenberkenbos

                                  Foto Indra Jacobs