Graslandbeheer

Graslanden zijn half-natuurlijke biotopen die in het verleden ontstaan zijn door maaien en begrazen. Om de graslanden te behouden, is een maai- en graasbeheer dus noodzakelijk. De dotterbloem- en veldrusgraslanden van de Kleine Netevallei worden jaarlijks gemaaid en/of begraasd. De frequentie is voor elk perceel anders en hangt af van het ontwikkelingsstadium.

Graslanden die verruigd of vermest zijn door vorig gebruik worden twee keer per jaar gemaaid in juni en de nazomer. Door het intensieve maaibeheer worden voedingsstoffen afgevoerd en verschraalt de bodem. Hierdoor zal de soortensamenstelling ontwikkelen naar de gewenste vegetatie. Deze ontwikkeling wordt jaarlijks opgevolgd door de beheerders. Indien de vegetatie de gewenste samenstelling heeft bereikt, wordt het grasland nog maar één keer per jaar gemaaid of begraasd.

Omdat het maaibeheer een grote impact heeft op de fauna worden er stroken niet gemaaid. Deze faunastroken wisselen per maaibeurt en zijn essentieel voor de kwetsbare soorten zoals Moerassprinkhaan (Stethophymma grossum). Voor deze soort is het bijvoorbeeld van belang dat er stroken overblijven voor de voortplanting en beschutting.

De graslanden worden beheerd door landbouwers en de werkploeg van Natuurpunt.

beheer_viersels_ gebroekt_7671

Deze laatste ondersteunen het beheer indien de omstandigheden voor de zwaardere landbouwmachines te nat zijn. De werkploeg is uitgerust met lichte tractoren en machines met lagedrukbanden zodat de bodemdruk beperkt wordt.

Naast het beheer van de biotiek is voor graslanden het beheer van de waterhuishouding van groot belang. Dit maakt deel uit van het historisch beheer van de graslanden. De waterhuishouding in graslanden wordt beheerd door het onderhoud van de greppels en

grachten. De greppels en grachten zijn tevens een belangrijk onderdeel van het microreliëf van een graslandencomplex.

Natuurpunt tractoren met lagedrukbanden (foto Leo Vaes)

 

Ruigtebeheer

Ruigtebeheer is vergelijkbaar met graslandbeheer maar de intensiteit van maaien en begrazen is lager. Een goed ontwikkelde ruigte wordt elke 5 jaar gemaaid om verbossing en opbouw van nutriënten tegen te gaan. Indien rompgemeenschappen voorkomen, worden de ruigten één- tot vierjaarlijks gemaaid.

Omdat ruigten op moeilijk toegankelijkere plaatsen voorkomen dan graslanden, worden ze gemaaid met lichtere machines en komt er meer handwerk aan te pas. Omdat ruigten een zeer grote meerwaarde hebben voor de fauna, worden er zeker stroken uitgespaard.

Voor ruigten is het ook van belang dat een gunstige abiotiek aanwezig is. Daarom moet de dynamiek van overstroming en getijdenwerking met niet vervuild water aanwezig zijn.

 

Bosbeheer

Bossen zijn stabiele biotopen waar de dynamiek gevormd wordt door overstroming, getijde en windval.

De broekbossen met een goede abiotiek worden niet beheerd met uitzondering van exotenbestrijding. Daarnaast moet ervoor gezorgd worden dat overstroming en getijdenwerking met niet vervuild water aanwezig zijn. Broekbossen met een slechte abiotiek die niet goed ontwikkeld zijn, worden beheerd via middelhoutbeheer. Door het middelhoutbeheer ontstaat een aantrekkelijke bosstructuur.

De eiken-berkenbossen werden tot heden niet beheerd met uitzondering van exotenbestrijding. Vanwege de gelijkjarigheid zal er op termijn een middelhoutbeheer ingesteld worden om de kwaliteit van de bossen te verhogen.

 

Heidebeheer

De duinheide die in de Kleine Netevallei voorkomt, wordt zeer omzichtig beheerd vanwege de kleine oppervlakte. De voornaamste dynamiek ontstaat door wandelaars, fietsers en spelende kinderen. Daarnaast wordt er gekapt, gemaaid en geplagd om de successie terug te zetten en - in het geval van plaggen - het stuifzand terug kansen te geven. Om de duinheide meer kansen te geven zullen er op termijn bomen gekapt worden om het zonlicht meer vat te geven op de zone.